joomla visitor

NLP Woordenlijst


De vaak gebruikte NLP-termen, vertaald uit: "Time for a change", Richard Bandler. Als voorbereiding op een opleiding NLP bij RaVisie kun je deze lijst eens doornemen.

Vertaling: Ben Licher

* Toegevoegd door RaVisie
Afstemmen (pacing) Een methode die wordt gebruikt om snel rapport op te bouwen door je eigen gedrag af te stemmen op het gedrag van degene met wie je communiceert.

Afstemmen op de toekomst (future pacing) Het proces waarin mentaal een voorstelling wordt gemaakt van een toekomstige situatie om zeker te stellen dat het gewenste gedrag in de toekomst automatisch en op een natuurlijke manier plaatsvindt.

Allergie Verstoring van het immuunsysteem, verhoogde gevoeligheid van het organisme voor stoffen die al eerder daarin waren opgenomen, maar nu ziekelijke reacties veroorzaken. Een allergie doet zich al bij de kleinste hoeveelheid van de stof voor. Een niet-aangeboren allergie heeft geen lichamelijke oorzaak.

Ankeren (anchoring) Het proces waarin een interne reactie geassocieerd wordt met een externe stimulus (zoals de klassieke conditionering) zodat de reactie snel en soms onopvallend opgeroepen kan worden.

Auditief (auditory) Heeft te maken met geluid of het hoorzintuig.

Benutten (utilization) Een techniek waarbij een specifieke strategie of gedragspatroon van iemand wordt overgenomen om de reacties van de ander te beïnvloeden.

Chunken (chunking) Het organiseren van informatie in grotere of kleinere delen. Bij up chunken ga je naar een hoger, abstracter niveau, bij down chunken ga je naar een specifieker en concreter niveau en bij lateraal chunken zoek je naar andere voorbeelden op hetzelfde niveau.

Citaten (quotes) Een manier van praten waarin je de boodschap die je wilt overbrengen vertelt alsof iemand anders het gezegd heeft.

Congruentie (congruence) Als al je interne overtuigingen, strategieën en gedragingen helemaal overeenstemmen en gericht zijn op het bereiken van een gewenste situatie.

Context (context) De context is het kader waarbinnen zich een specifieke situatie voordoet. De context bepaalt vaak hoe een specifieke ervaring of gebeurtenis wordt geïnterpreteerd.

Criteria (criteria) De definitie van waarden die iemand gebruikt om beslissingen te kunnen nemen.

Delen van gedrag (parts) Het symbolisch benoemen van onafhankelijke gedragsprogramma's en -strategieën. Deel- of subpersoonlijkheden waarmee je je identificeert.

Dieptestructuur (deep structure)

De zintuiglijke structuren (bewust en onbewust) die mensen gebruiken om hun gedrag te organiseren en te sturen.

* Design Human Engineering (DHE) Technologie en evolutionair middel, eind 1980 - begin '90 ontwikkeld door Richard Bandler - dat gericht is op het beter gebruiken van ons brein om meer te kunnen dan voorheen mogelijk was.

Doelstellingen (outcome) Resultaten of gewenste toestand die een persoon of organisatie wil bereiken.

Flexibiliteit in gedrag (behavioural flexibility )

De vaardigheid om je eigen gedrag te veranderen om zodoende een reactie bij iemand anders te kunnen ontlokken.
Geassocieerd (associated) Als je gevoelens en een groot deel van je zintuiglijke ervaring een beleving in de situatie zelf is. "Je zit er helemaal in".Gedrag (behaviour)Die specifieke fysieke acties en reacties waarmee wij op andere mensen en op onze omgeving inwerken.

Gedissocieerd (disassociated) Je ervaart een gebeurtenis als vanaf een afstand. Je kijkt naar jezelf. Je creëert afstand van de situatie.
Gedrag (behaviour) Die specifieke fysieke acties en reacties waarmee wij op andere mensen en op onze omgeving inwerken.

Gekalibreerde lus (calibrated loop)

Onbewuste communicatiepatronen waarbij het gedrag van een persoon een specifiek gedrag bij een ander persoon oproept.
Gustatoir (gustatory) Heeft te maken met smaak en proeven.

Herkaderen (reframing) Een proces dat bij NLP gebruikt wordt waarbij problematisch gedrag wordt gescheiden van de positieve intentie van het gedeelte dat verantwoordelijk is voor dat gedrag. Nieuwe keuzes voor gedrag worden bepaald door het deel dat verantwoordelijk is voor het oude gedrag de verantwoording te laten nemen om een ander gedrag te vertonen met dezelfde positieve intentie en zonder het probleemgedrag.

* Hypnose  (hypnosis) Een heel eigen vakgebied en een NLP-techniek. Het proces van iemand leiden naar een staat waarin hij directer contact met zij onbewuste kan maken. In het onbewuste kunnen krachtige veranderingen in gang gezet worden, doelbewust, bijvoorbeeld door het geven van suggesties.

Installeren (installation) Het mogelijk maken dat iemand een nieuwe strategie of gedrag verwerft. Een nieuwe strategie kan geïnstalleerd worden door een combinatie van ankeren, toegangssignalen, metaforen en future pacing.

Intolerantie Verminderde weerstand tegen de werking van een stof. Een persoon reageert met een ongewone lichamelijke reactie op het contact met een stof, terwijl diezelfde stof bij anderen gewoonlijk geen bijzondere reactie veroorzaakt. Je kunt 3 bananen eten, maar bij de vierde reageert je lichaam allergisch.

Kalibreren (calibration) Het leren herkennen van onbewuste, non-verbale reacties van iemand anders tijdens een interactie door waarneembare reacties te koppelen aan interne reacties.

Kinesthetisch (kinaesthetic) Heeft te maken met gevoel. In NLP wordt de term kinesthetisch voor allerlei soorten gevoel gebruikt zoals inwendige en uitwendige gevoelens.

Metafoor (metaphor) Een metafoor is een overdrachtelijke uitdrukkingsvorm waarbij een boodschap wordt verpakt in een verhaal of anekdote.

Metamodel (Meta model) Een model ontwikkeld door John Grinder en Richard Bandler waarin categorieën taalpatronen worden geïdentificeerd die problematisch of dubbelzinnig kunnen zijn. Daarbij een set vragen die gesteld kunnen worden zodat iemand informatie kan specificeren en verduidelijken en zijn model van de wereld groter en waardevoller wordt.

Metaprogramma (Meta program) Aangeleerde interne programma's die bepalen hoe je je ervaringen organiseert, oriënteert en chunkt. Ze zijn abstracter dan onze specifieke strategieën voor denken en definiëren onze algemene houding ten opzichte van een bepaald onderwerp en niet zozeer de details van ons denkproces.

Modelleren (modelling) Het proces van observeren en in kaart brengen van succesvol gedrag en strategieën van andere mensen.

* Neuro Hypnotic Repatterning (NHR)

Technologie die hypnotische processen gebruikt om gedrag herstructureren.
Neuro-Linguïtisch Programmeren
(Neuro-Linguistic Programming)
Een gedragsmodel en een verzameling specifieke vaardigheden en technieken ontwikkeld door Grinder en Bandler in 1975. Gedefinieerd als de studie van de structuur van subjectieve ervaring. NLP bestudeert de patronen of de programmering die gecreëerd wordt door de interactie tussen de hersenen (neuro), de taal (linguïstisch) en het lichaam dat zowel effectief als niet effectief gedrag produceert.

Olfactoir (olfactory) Heeft te maken met geur en ruiken.

Omgeving (environment) De externe context waarin we ons gedragen. Onze omgeving is datgene dat we buiten onszelf ervaren. Het is niet een deel van ons gedrag maar meer iets waarop we moeten reageren.

* Onbewuste (unconscious mind) Het deel van je brein dat altijd bezig is. Het deel dat droomt en je lichaamsfuncties en gedragspatronen reguleert. Het bevat je herinneringen, wijsheid en perceptie. Het stuurt je denk- en gedragspatronen en is daarom de beste plek om permanente veranderingen te creëren.

* Onbewuste installatie
(unconscious installation)

Het bij iemand of bij jezelf installeren van vaardigheden, ideeën en suggesties door te communiceren met het onbewuste.

Oppervlaktestructuur (surface structure) Alles wat gezegd wordt. De woorden of de taal die gebruikt worden om iets te beschrijven of die betekenis geven aan een primaire zintuiglijke representatie die in je brein is opgeslagen.

Overtuiging (belief) Generalisatie waar je veel waarde aan hecht aan:
  1. oorzaak,
  2. betekenis en
  3. grenzen in: de wereld om je heen, je gedrag, je capaciteiten en je identiteit
Overtuigingen functioneren op een ander niveau dan de concrete realiteit en doen dienst om onze perceptie van de realiteit te interpreteren en te leiden. Vaak door ze te koppelen aan onze criteria voor waarden en normen. Het is bekend dat overtuigingen zeer moeilijk te veranderen zijn met de typische regels van logisch of rationeel denken. 

Positieve intentie
(secondary gain)
Bijwinst of ziektewinst. Schijnbaar negatief of problematisch gedrag dat eigenlijk een positieve functie heeft op een ander niveau. Bijvoorbeeld een roker die rookt omdat hem dat een bepaald zelfbeeld oplevert of dat hem helpt ontspannen.

Predikaten (predicates) Proceswoorden (zoals werkwoorden, bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden) die iemand gebruikt om een onderwerp te beschrijven. In NLP worden predikaten gebruikt om te achterhalen welk representatiesysteem iemand op een bepaald moment gebruikt om informatie te verwerken.

Rapport Het tot stand brengen van vertrouwen, harmonie en samenwerking in een relatie.

Representatiesysteem (representational system)

De vijf zintuigen: zien, horen, voelen, ruiken en proeven.
Semantiek Betekenisleer

Semantisch Volgens de semantiek, betrekking hebbende op de betekenis. Bijvoorbeeld: het semantisch veld van 'slim': alle woorden die in betekenis met 'slim' overeenkomen (schrander, pienter, verstandig, wijs enz.)

State (stemming) De totale mentale, emotionele en fysieke conditie van waaruit iemand op en bepaald moment handelt. Het woordje "state" beschrijft beter wat er bedoelt wordt dan "stemming".

Strategie (strategy) Een specifiek geheel van mentale stappen en gedragingen die tot een bepaald resultaat leiden. In NLP is het belangrijkste aspect van een strategie het representatiesysteem dat gebruikt wordt om specifieke stappen uit te voeren.

Submodaliteiten (submodalities) De specifieke zintuiglijke kwaliteiten die door de zintuigen worden waargenomen. Bijvoorbeeld visuele submodaliteiten zijn kleur, vorm, beweging, helderheid, diepte, etc. Auditieve submodaliteiten zijn volume, toonhoogte, tempo etc. Kinesthetische submodaliteiten zijn druk, temperatuur, samenstelling, locatie etc.

* Synesthesie (synaesthesia) Overlappingen tussen twee representatiesystemen die gekarakteriseerd kunnen worden door fenomenen zoals 'zien-voelen', waarbij een persoon het gevoel ontleent aan wat hij ziet en 'horen-voelen' circuits, waarbij de persoon het gevoel ontleent aan wat hij hoort. Alle zintuigen kunnen zo gecombineerd worden.

* Syntaxis De leer van het gebruik van de rede- en zinsdelen, van de woordvoeging en van de zinsbouw.

* Syntactisch Betrekking hebbende op de syntaxis. De syntactische grammatica gaat uit van de wijze waarop de woorden in de zin verbonden zijn en de zin is opgebouwd.

Toegangssignalen (accessing cues) Subtiele gedragingen die aangeven welk zintuiglijk representatiesysteem wordt gebruikt bij het denken. Typische toegangsignalen zijn oogbewegingen, houding, ademhaling, stemgebruik (toon en tempo), gebaren.Een methode die wordt gebruikt om snel rapport op te bouwen door je eigen gedrag af te stemmen op het gedrag van degene met wie je communiceert.

TOTE Dit model is ontwikkeld door Miller, Galanter en Pribram. De term staat voor de reeks: Test-Operate-Test-Exit en beschrijft de basis feedback lus die gebruikt wordt om plannen en gedrag te sturen.

Trance Een staat die gewoonlijk het resultaat is van hypnose. Ook de stemming die ontstaat als je je concentreert. We functioneren in een rijke variëteit van trances, afhankelijk van waar we op een gegeven moment mee bezig zijn (televisie kijken, eten, autorijden, fietsen, hardlopen et cetera).

Transderivationeel zoeken (transderivational search) Normaal gesproken een onbewust en automatisch zoekproces in je opgeslagen herinneringen en mentale representatie om de ervaringen waarvan het huidige gedrag is afgeleid te vinden.

Vertalen (translating) Het opnieuw formuleren van woorden uit het ene representatiesysteem naar het andere.

Vierschaar (Four Tuple) Een steno methode die wordt gebruikt om de structuur van een bepaalde ervaring te noteren. Het concept van de vierschaar houdt in dat elke ervaring bestaat uit een combinatie van de vier primaire representatiesystemen, VAKO/G: V = Visueel, A = Auditief, K = Kinesthetisch en, O/G = Olfactoir/Gustatoir.

Visueel (visual) Heeft te maken met zien, kijken.

Vormvoorwaarden (well-formedness conditions) De combinatie van condities waaraan iets moet voldoen om een effectief en ecologisch verantwoord resultaat te kunnen behalen. In NLP voldoet een doel aan de vormvoorwaarden als het:
  • positief geformuleerd is
  • zintuiglijk specifiek gedefinieerd en testbaar is
  • op eigen initiatief ondernomen en gehandhaafd door de persoon die het doel wil bereiken
  • de positieve effecten van de huidige situatie behouden blijven en
  • de context past binnen de externe ecologie